Translate

zondag 17 februari 2013

Het meisje zonder naam

Het is weer zondag. De dag van Rob de Nijs. In plaats van de hele dag in bed te blijven luieren, was hij vroeg opgestaan en had hij een boswandeling gemaakt. En..., dat had hem goed gedaan! Even de benen strekken en wat frisse lucht inademen.
'Dat zou ik vaker moeten doen,' mompelde hij in zichzelf.

Bovendien was het nog gezellig ook. Want midden in het bos kwam hij een meisje met een hond tegen. Ze droeg een rode cape, had een rieten mandje in haar hand, en ze liep op zwarte laarsjes. Hij raakte met haar aan de praat en..., ze bleek een vogelspotter te zijn.

'Luister, zei ze, hoor je die specht op die boom hameren?' 'Waar?' vroeg Rob. 'Daar tegen die dikke eik,' antwoordde ze. Aandachtig luisterde hij naar het geluid van de hakkende vogel. Verder was het doodstil in het bos. 'Mooi hè,' zei het meisje. 'Ja, zei Rob, het is een mooi hol geluid, het lijkt wel of die boom vanbinnen helemaal leeg is.'

'Dat zou best kunnen,' zei het meisje. Ze raapte een stok op en gooide die - zo ver als ze kon - weg. De hond rende er meteen achteraan en even later bracht hij hem weer netjes terug bij zijn baas.

'Vind je het goed als ik een stukje met je meeloop?' vroeg Rob. 'Gezellig,' antwoordde ze.

Na een tijdje kwamen ze bij een smal riviertje. Er zwommen een paar meerkoeten in het licht kabbelende water, maar verder was er weinig teken van leven. 's Zomers zwemmen hier altijd twee witte zwanen, zei het meisje, maar ik denk dat die nu ergens warm binnen zitten.'
'Ja, het zal nu te koud voor ze zijn, ik schat dat de temperatuur zo rond het vriespunt is,' zei Rob.

Een eindje verderop kwamen ze bij een houten bruggetje. Aan de andere kant van het riviertje was een weiland waar een paar oerkoeien graasden. Ze hadden een dikke, ruige bruine vacht en een van hen had grote gekromde hoorns. Kleine rookwolkjes kringelden uit hun neusgaten. 'Mooie beesten zijn dat, hè,' zei het meisje. 'Ja, prachtig,' beaamde Rob.

Ondertussen begon de lucht te betrekken en het meisje zei: 'Ik denk dat er sneeuw komt. Kom, we wandelen weer terug naar de bewoonde wereld.' De hond blafte nog een paar keer tegen de koeien, maar die keken niet op of om.
Toen ze bij een splitsing van twee zandpaden kwamen, namen ze afscheid. 'Ik moet hier rechtsaf,' zei Rob. Hij gaf haar een hand en wenste haar het allerbeste.

Alleen vervolgde hij zijn weg naar huis. 'Leuke meid, zei hij tegen zichzelf. Vreemd dat ik niet eens weet hoe ze heet. En misschien zie ik haar wel nooit meer terug.
Maar..., dat houdt het leven wel spannend.'